Medische termen kunnen soms lastig zijn. Wat betekent een bepaald onderzoek of term die je in het ziekenhuis of in de gezondheidszorg tegenkomt? Hier volgt een beknopte omschrijving. De lijst wordt continue aangevuld en is op alfabetische volgorde gezet.

A

Abces: ophoping van pus in een holte.

Abdomen: buik. Bijvoorbeeld een onderzoek CT-abdomen is een CT scan van de buik.

Adenoom: goedaardig gezwel.

Anesthesie: verdoving of gevoelloosheid. Belangrijk bij bijvoorbeeld een operatie.

Ausculteren: met een stethoscoop luisteren naar geluiden in het lichaam.

B

Benigne: goedaardig.

Bioptie/biopsie: een stukje weefsel wordt verwijderd om te onderzoeken en zo een diagnose te kunnen stellen.

Bradycardie: lage hartfrequentie.

C

Congenitaal: aangeboren.

CT-scan: Een röntgenlaborant maakt met de CT-scanner (donutvormig) in korte tijd veel foto’s van de doorsnede van (een deel) van het lichaam van de patiënt. Verschil tussen MRI en CT.

CVA: een hersenbloeding of infarct, ook wel beroerte genoemd. Uitleg over een CVA.

D

Dialyse: nierfunctievervangende therapie. Er bestaan twee vormen: hemodialyse (via een shunt) en peritoneale dialyse (via het buikvlies).

Differentiaal diagnose: verschillende mogelijkheden van diagnosen.

Doppleronderzoek: Door middel van een echo wordt de kwaliteit van bloedvaten onderzocht.

Dotteren: De cardioloog heft vernauwingen in de bloedvaten op tijdens een dotterbehandeling. Soms is het plaatsen van een stent nodig, om het bloedvat open te houden.

Draineren: afvoeren van vloeistof uit bijvoorbeeld een wond of cyste. Gebeurt vaak middels een drain.

E

ECG: Ook wel hartfilmpje genoemd. Via verschillende kanten wordt de elektrische geleiding van het hart bekeken. De arts (cardioloog) kan op een ECG een hartritmestoornis herkennen.

ERCP: onderzoek van ongeveer een uur waarbij de arts door middel van een endoscoop (flexibele slang) de galwegen en de afvoergang van de alvleesklier (pancreas) kan bekijken. Bij een ERCP kan de arts tevens een kleine ingreep uitvoeren, zoals het verwijderen van een galsteen. Na een ERCP is het belangrijk om niet direct te drinken en eten en dit rustig uit te breiden volgens protocol. Een ERCP gebeurt onder een roesje en zelden onder algehele narcose.

Extramurale zorg: zorg die zich niet “binnen de muren” van een instelling afspeelt, zoals thuiszorg.

G

Gastroscopie: onderzoek waarbij de arts met een endoscoop (flexibele slang) de mondholte, keel, slokdarm, maag en twaalfvingerige darm kan bekijken.

H

Hypo: Te weinig, te laag.

Hyper: Te veel, te hoog.

Hypoglycemie: een te lage bloedsuiker (minder dan 4.0 mmol/L), ook wel ‘hypo’ genoemd. Hierop moet direct actie worden ondernomen door middel van het nemen van glucose (dextro tablet, ranja, siroop). Wanneer de patiënt buiten bewustzijn is moet intraveneus glucose toegediend worden. Klachten van een hypo zijn: extreme honger, wazig zicht, hoofdpijn, beven, prikkelbaar.

Hyperglycemie: een te hoge bloedsuikerspiegel (meer dan 10.0 mmol/L), ook wel ‘hyper’ genoemd. Actie ondernemen is belangrijk, maar is niet zo acuut als bij een te lage bloedsuikerspiegel. Klachten van een hyperglycemie zijn: veel en frequent plassen, veel dorst, droge mond, gewichtsverlies. Uiteindelijk kan een hyperglycemie een keto-acidose (verzuring van het bloed) veroorzaken en tot de dood leiden.

Hypertensie: hoge bloeddruk.

Hypotensie: lage bloeddruk.

I

Incisie: insnijding of snede.

Intoxicatie: vergiftiging.

Intraveneus: in de ader.

Intramusculair: in de spier.

Intramurale zorg: zorg die gedurende een onafgebroken verblijf van meer dan 24 uur geboden wordt “binnen de muren” van een instelling. Zoals een ziekenhuis, verzorgingshuis of een instelling voor verstandelijk gehandicapten.

M – Medische termen

Malaise: algemeen onwel voelen. Vaak omschreven als algehele malaise.

Maligniteit: kwaadaardig.

Metastase: uitzaaiing.

Morbus: ziekte. Vaak afgekort tot M. Bijvoorbeeld: Morbus Graves, afgekort tot M. Graves.

MRI-scan: Door middel van niet-schadelijke elektromagnetische straling, maakt een laborant met de MRI-scanner (lange buis waar de patiënt in ligt) een reeks foto’s van de doorsnede van (een deel van) het lichaam. Verschil tussen MRI en CT.

N

Nierfalen: het niet voldoende werken van de nieren.

P

Palpatie: betasten of voelen. Bijvoorbeeld: het palperen van de lever.

PET-CT: (PET-scan) beeldvormend onderzoek met radioactieve stof om evt. activiteit (ontsteking of iets kwaadaardigs) in het lichaam vast te kunnen stellen.

Prognose: het verwachte verloop van de ziekte of aandoening.

S

Saturatie: maatstaf voor de hoeveelheid zuurstof die aan het Hb in de rode bloedcellen in de arteriën of slagaders gebonden is. Wordt gemeten in procenten. Ligt bij COPD patiënten lager.

Shunt: toegang tot de bloedbaan de patiënt (meestal op de onderarm) om te kunnen dialyseren. Een slagader en ader zijn op elkaar aangesloten om zo de snelle bloeddoorstroom aan te kunnen. Dit wordt de shunt genoemd.

Somatisch: lichamelijk.

Subcutaan: onder de huid. Bijvoorbeeld een subcutane injectie bij insuline.

T

Tachycardie: hoge hartfrequentie

Tensie: bloeddruk, gemeten in mmHg.

Terminaal: laatste levensfase of stervensfase.

X

X-thorax: Röntgenfoto van de thorax.

medische termen Verpleegkundige neemt EWS af

Medische termen